About Christien Rijnsdorp

Christien Rijnsdorp (1951) geboren in Rotterdam woont en werkt in Den Haag

1971 - 1976 Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten Den Haag

Veel diersoorten sterven helaas uit of worden bedreigd door de mens, maar kunstenaars kunnen ook nieuwe diersoorten creëren. Wat dacht u van deze bijzondere en vrolijke vogelfanten of olivaars? Ze heten Proboscidea. Ik kom ze nooit tegen in het Maurickbos of bij Landgoed Bleijendijk waar ik elke week met twee goede vrienden ga hardlopen. Ik zie soms eekhoorns en reeën, en de reusachtige stammen van de beukenbomen doen wel eens denken aan olifantenpoten, maar een dergelijke familie beesten zie ik nu voor het eerst. Ze zien er niet gevaarlijk uit. Zonder ogen zullen ze het vooral moeten hebben van hun neus. Die is dan ook enorm, niet alleen om te ruiken, maar ook voor de balans. Misschien is de neus tegelijk een zuignap, waarmee de jongen zich aan de moeder kunnen vastzuigen. Ik hoop ze ooit eens ergens tegen te komen.
U kunt ook kijken bij Galerie Ramakers in Den Haag. Waar nu het Provinciehuis staat, alweer de tweede versie, was vroeger een dierentuin. Misschien zijn ze toen ontsnapt naar het vlakbij gelegen Haagse Bos. Ach, misschien komen ze gewoon langsgesnuffeld uit de Paleistuin van Huis ten Bosch.

Benno Tutein Nolthenius


------


De beelden van Christien Rijnsdorp herken je direct als levende organismen, zonder dat je precies kunt duiden met welk wezen je te maken hebt, Vaak zijn het worm- of larveachtige vormen met wulpse plooien die verwikkeld lijken te zijn in een groei- of voortplantingsproces. De eerste organische beelden ontstaan aan het eind van de jaren tachtig. Ze zijn gemaakt uit pur-schuim dat wordt overdekt met een laagje bruine boetseerwas. Meestal staan of liggen ze in groepjes bij elkaar als een kleine kudde anonieme wezen.

Gaandeweg verandert hun karakter van insectachtigen in wezens die meer verwantschap lijken te hebben met dieren en mensen. Het blijven echter wel steeds archetypische vormen zoals bijvoorbeeld knollen. Omdat ze op twee pootjes staan lijken ze op primitieve wezens die zich waggelend voortbewegen of voorovergebogen de grond afspeuren naar iets eetbaars. Door hun onaanzienlijke kwetsbare uiterlijk en hun onbeholpen houdingen wekken ze meteen sympathie bij de toeschouwer. Vaak zorgt ook de titel van de werken ervoor dat je ze onwillekeurig identificeert als menselijke wezens. In Broertjes zijn bijvoorbeeld vijf kegelachtige vormen op elkaar gestapeld. Hun huid is gerimpeld en aan de voorkant van elk segment steekt een penis-achtige uitstulping naar buiten. Ondanks dat het non-descripte vormen zijn zie je ze als wezens die op elkaar zijn aangewezen, met al hun energie en aandacht voeren ze een onhandige balanceeract uit.

In latere beelden is het aspect van het op elkaar aangewezen zijn vaker aanwezig. In Tegen zijn twee knolachtigen op korte beentjes tegen elkaar geplaatst. Als Sumoworstelaars proberen ze elkaar omver te duwen, tegelijkertijd houden ze elkaar in evenwicht.

In de meest recente werken is een nieuwe ontwikkeling te zien. De wezens onderhouden niet alleen relaties met elkaar, maar reageren, individueel of in groepjes, ook steeds meer op een geconstrueerde omgeving. Ze zitten of lopen op balken, of voeren een potsierlijke performance uit op een stalen ring (Renz).?

Werk in collectie/tentoonstellingen o.a.

NOG Kunstcollectie
Stadscollectie Gemeentemuseum Den Haag
Avro
Catharinagasthuis Gouda
Sokkelproject Den Haag Stroom
LUMC
Artoteek Den Haag
Div particulieren